De opdracht aan Anselm Kiefer was bij voorbaat gedoemd
Tweeënhalf jaar lang volgde de Britse Sophie Fiennes één van Duitslands meest bewonderde naoorlogse kunstenaars: Anselm Kiefer. Het resultaat was een puike documentaire die vorig jaar oktober door het onvolprezen pareltje van de Nederlandse televisie Het Uur van de Wolf werd uitgezonden.
Voor het eerst werd ons een kijkje achter de schermen gegund in het universum van deze mastodont van de hedendaagse kunst. Sinds ik als student kunstgeschiedenis voor het eerst met zijn werk kennismaakte in het Stedelijk Museum Amsterdam, was ik fan van deze poëet die het grote gebaar niet schuwt. Met zijn gebeeldhouwde schilderijen wist hij mijn kijk op de schilderkunst voorgoed te veranderen. Zijn werk was radicaal anders. Ruw, meeslepend, naargeestig, beklemmend en vooral fysiek: prachtige schuldige landschappen, die bijkans zwichtten onder de zwaarte van al die aardse materialen waarmee Kiefer zijn doeken laag over laag opbouwt. Hier kon je letterlijk en figuurlijk niet omheen en die plaats in de voorhoede van de hedendaagse kunst was dan ook volkomen terecht.
En nu is er al die heisa rond een kunstwerk dat Kiefer in opdracht van het Rijksmuseum voor de Nachtwacht heeft geplaatst. Kritiek die vooral is gericht op de afwezigheid van een verband met Rembrandts meesterwerk. Maar is die kritiek ook terecht? En kan een kunstenaar van zijn statuur de plank zo misslaan dat hij het Rijksmuseum in verlegenheid brengt?
Wie de documentaire van Fiennes heeft gezien, kon al vermoeden dat de keuze voor Kiefer wel eens zou kunnen leiden tot een onbevredigend resultaat. De objectieve registratie was even dodelijk als onthutsend. We zien een kunstenaar aan het werk, op een verlaten industrieterrein in Zuid-Frankrijk bouwend aan een gesamtkunstwerk dat elke kritische distantie tot kunst en geschiedenis ontbeert. Je waant je in een apocalyptisch pretpark waar met betonmolens, bulldozers, hijskranen, vuurspuwers, smeulende as en vloeibaar lood een constructie verrijst die zo pompeus oogt dat elke relatie tot de menselijke tragedie is verdwenen. En dat humane was nu juist zijn grote kwaliteit. Je ontkomt er niet aan om deze bizarre exercitie te associëren met grootheidswaanzin. Gevaarlijk voor een Duitse kunstenaar die de geschiedenis als uitgangspunt voor zijn kunst neemt. Kiefer is gaan geloven in zijn eigen mythe en heeft daarbij zo veel materie nodig om te kunnen overtuigen dat er uiteindelijk niets van overblijft.
Ook de directeur van het Rijksmuseum moet zich rot zijn geschrokken toen hij deze beelden zag. Nodig je voor het eerst een levende kunstenaar uit, blijkt deze volledig de weg kwijt te zijn. Kiefer mag dan garant staan voor spektakel en publiciteit, en dat zal zeker hebben meegespeeld bij de keuze van de voormalige directeur van de Rotterdamse Kunsthal; deze opdracht was bij voorbaat gedoemd. Dat La Berceuse (for Van Gogh) geen dialoog aangaat met de Nachtwacht is nog te billijken - een goed kunstwerk is overal inzetbaar - maar het eindresultaat is zo pover dat het Van Gogh Museum blij zal zijn dat het gelijknamige schilderij van Vincent gevrijwaard is gebleven van een confrontatie met dit nietszeggende beeld.
Wim Pijbes heeft het in zijn ogen mysterieuze kunstwerk geprezen door te stellen dat het vooral veel vragen oproept. Ik had graag vernomen hoe die vragen hadden geluid. De drie loden vitrines met ondersteboven opgehangen verdroogde zonnebloemen en een verkreukeld stoeltje zijn zo letterlijk in verschijningsvorm dat ze juist geen enkele vraag oproepen. Het maakt elke kritiek over het ontbreken van een beoogde relatie tot het icoon uit onze vaderlandse kunstgeschiedenis overbodig. En ik zal op zoek moeten naar een nieuwe held.
Column Vrij Nederland, 4 juni 2011
Column Vrij Nederland, 28 mei 2011
Column Vrij Nederland, 21 mei 2011
Column Vrij Nederland, 14 mei 2011
Column Vrij Nederland, 30 april 2011
Column Vrij Nederland, 23 april 2011
Column Vrij Nederland, 16 april 2011
Column Vrij Nederland, 9 april 2011
Column Vrij Nederland, 2 april 2011